In een werkplaats in Leek werken vakmensen al 45 jaar aan maatwerk in roestvast staal. Directeur Hans Bosma van RVS Noord ziet de vergrijzing toeslaan en zoekt jong talent via scholen in de regio. “Mensen zijn bang om vies te worden.”
RVS Noord produceert uitsluitend op order. Geen eigen product, geen voorraad, wel tekeningen van ingenieursbureaus die hun ontwerpen wereldwijd verkopen. Producten uit Leek staan in fabrieken in Canada, Mexico, Thailand en Duitsland. “Wij leveren af fabriek, dus het maakt me eigenlijk niet uit waar het heen gaat”, legt de directeur uit. De voedingsmiddelen- en farmaceutische industrie zijn belangrijke afnemers, omdat roestvast staal niet hecht en eenvoudig te reinigen is tussen productiebatches door.
Kennis in handen en hoofd
De kracht van het bedrijf zit volgens Bosma niet in machines, maar in mensen. Veel medewerkers werken al decennia mee. Een collega ging onlangs met pensioen na 45 dienstjaren. “Die mensen hebben een hoop kennis in hun hoofd en in hun handen. Die schrijf je niet op in een boekje.” Juist die ervaring maakt het verschil bij complex laswerk en vervorming van rvs onder warmte. Theorie leer je op school, maar het echte vakmanschap groeit door jaren meelopen, zegt hij. Een beetje zoals autorijden: regels ken je, het gevoel bouw je op.
De komende vijf jaar verlaten naar verwachting vier tot vijf vakmensen het bedrijf vanwege pensioen. Vervangen is geen kwestie van een advertentie plaatsen. Mond-tot-mondreclame en eigen netwerk leveren de meeste instromers op. Voor de jonge aanwas kijkt het bedrijf naar het onderwijs.
Investeren in de basis
RVS Noord werkt samen met mbo-instellingen via de bbl-route, waarbij leerlingen werken en leren combineren. Daarnaast lopen zes à zeven stagiairs van hogere opleidingen rond, onder meer van de Hanzehogeschool in Groningen. “We halen ze redelijk vroeg naar binnen en laten ze meelopen. Of het wat wordt, weet je pas na een jaar of twee.” Het bedrijfshoofd vergelijkt het met het oude meester-gezelmodel, of het Duitse systeem: ouderwets, maar effectief.
Op Dagen van de Techniek mogen kinderen van tien tot veertien jaar in de werkplaats aan de slag met simpel metaalwerk. Een tipje van de sluier, noemt hij het zelf. “Dat vlammetje moet je vroeg aanwakkeren.”
Een hardnekkig imagoprobleem
Het maatschappelijke beeld van technisch werk noemt hij zorgelijk. Wie van de middelbare school komt, moet liefst de universiteit in. Werken met je handen geldt nog steeds als minderwaardig, ondanks alle wervingscampagnes. “Mensen zijn bang om vies te worden, willen niet in een garage werken. Terwijl je hier gewoon een hele fatsoenlijke boterham kunt verdienen.” Hij signaleert ook dat sollicitanten zich vaak willen specialiseren in alleen lassen, terwijl het werk juist veelzijdigheid vraagt.
Wat Bosma opvalt, is dat zijn eigen mensen hun kunde onderschatten. Velen hebben weinig opleiding en schamen zich daar nog voor. Onterecht, vindt hij. Daarom werkt hij hard aan waardering van het eigen vak. “Dit is bijna kunst. Daar mogen ze best wat trotser op zijn. Al is dat misschien tegen de noordelijke mentaliteit in: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.”

